• Vakmanschap
  • Leidinggeven
  • Veiligheid
  • Continu verbeteren

Veilig meten... PBM's waren mijn redding

25

okt

25

okt

Werken onder spanning is verboden. Maar werken we onder spanning bij meten? Ondanks dat vaak wordt gemeten aan installaties onder spanning, bijvoorbeeld bij een inspectie of het zoeken naar een storing, valt meten meestal niet onder de definitie werken onder spanning.

Dat wil niet zeggen, dat meten onder spanning geen risico’s kent. Sterker nog; meten is een van die werkzaamheden waarbij regelmatig incidenten gebeuren met letsel als gevolg. Om incidenten te voorkomen zijn er regels die beschrijven hoe aan installaties onder spanning veilig moet worden gemeten. Deze zijn beschreven in bijlage H NEN 3140  “Het uitvoeren van elektrotechnische metingen”.

In deze blog de praktische vertaalslag van deze bijlage en een beschrijving van een incident dat zich recentelijk voordeed. Wil je meer informatie of jouw huidige kennis opfrissen? Ontdek de mogelijkheden bij SBK.

Risico bij het meten

Het risico  dat is verbonden aan het verrichten van metingen hangt in belangrijke mate af van drie factoren; de keuze van het meetinstrument, de situatie of de installatie waaraan wordt gemeten en de manier waarop wordt gemeten. Achtereenvolgens worden deze drie factoren toegelicht.

De keuze van het meetinstrument

De Arbowet stelt dat een werkgever medewerkers passende en veilige arbeidsmiddelen moet verstrekken. Deze regel geldt ook voor meetinstrumenten. Wat “passend en veilig” is wordt bepaald door het meetinstrument en wat, waaraan en op welke manier wordt gemeten.  Wat praktische tips:
Meetinstrumenten moeten voldoen aan een productnorm; EN-IEC 61010-1. Of een meetinstrument hieraan voldoet kan worden gelezen in de bijbehorende documentatie.  Ook moeten zij, net als alle andere elektrotechnische producten voldoen aan het Warenwet besluit elektrisch materieel. Hierin staat kortweg: elektrisch materieel moet voldoen aan essentiële veiligheidseisen,  de ce-markering dragen, er moet een veiligheidsinstructie in het Nederlands bij het product zijn toegevoegd en een gebruikershandleiding. Hierin moet zijn beschreven waarvoor het product is bedoeld en welke veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen voor een veilig gebruik.

Enkele belangrijke aspecten waarin meetinstrumenten zich onderscheiden zijn bijvoorbeeld; de categorieaanduiding CAT I, CAT II, CAT III of CAT IV. Het wel of niet gebruik van isolerende dopjes om meetpennen af te schermen, welke meetsnoeren specifiek passen bij het instrument, voor welke metingen het instrument geschikt is e.d.


 Afbeelidng  CAT III  aanduiding op universeelmeter

  • Voorbeeld 1:
    De CAT aanduiding op een meetinstrument geeft aan, in welke mate een instrument bestand is tegen transiënten “hoogspanningspiekjes” op de installatie t.g.v. bijvoorbeeld schakelhandelingen, inductieverschijnselen e.d. Hoe dichter bij de voedende  transformator, hoe hoger de transiënten. Een passende keuze voor een meetinstrument dat wordt toegepast bij een binnenkomende voeding, zoals een hoofdverdeler  moet daarom  CAT IV zijn. Bij een onderverdeler, machine installaties  CAT III, op aansluitingen in woningen CAT II. De CAT aanduiding staat in het algemeen vermeld bij de aansluitingen op een meetinstrument.
  • Voorbeeld 2:
    Om spanningsloosheid vast te stellen in laagspanningsinstallaties moet gebruik worden gemaakt van een dubbelpolige spanningsaanwijzer volgens NEN-EN-IEC 61243-3, de bekende Duspol met twee drukknoppen. Toch wordt hiervoor in de sector bij sommige bedrijven nog steeds een universeelmeter toegepast. Er zijn twee redenen waarom een duspol moet worden toegepast: 1) Een duspol is laagohmig en ontlaad (in tegenstelling tot een universeelmeter) de installatie nadat deze is gescheiden van de voeding. 2) Een duspol kan niet foutief worden ingesteld zoals een universeelmeter. In het A-bereik aangesloten kan een universeelmeter wel kortsluiting veroorzaken.
  • Voorbeeld 3:
    Voorkomen moet worden dat blanke meetpennen aanraakbaar zijn en dat lange blanke meetpennen een kortsluiting kunnen veroorzaken. De keuze van de meetsnoeren met de daarop aangesloten meetpen of krokodillenklem is daarom belangrijk en moet passen bij het meetinstrument. Streef ernaar om waar het ook maar kan, de dopjes erop te plaatsen zodat het blanke gedeelte aan het uiteinde van de meetpen niet langer is dan 4 mm. Meetpennen waarbij de isolatie instelbaar is hebben de voorkeur.

 

Afbeelding  Standaard meetpen heeft een ca 15 mm lange blanke meetpen en meetpennen waarbij de afscherming door een draaibeweging instelbaar is 
Foto: Anton Kerkhofs

De installatie waarin wordt gemeten

Bij het meten aan een installatie kunnen vier werkgebieden worden onderscheiden:

  • aanrakingsveilig – beperkt kortsluitvermogen
  • niet aanrakingsveilig - beperkt kortsluitvermogen
  • aanrakingsveilig – groot kortsluitvermogen
  • niet aanrakingsveilig - groot kortsluitvermogen


Een installatie die niet aanrakingsveilig is kenmerkt zich door niet afgeschermde aanraakbare actieve delen. Een aanrakingsveilige  installatie wordt gecodeerd als IP 2X “Beschermd tegen indringen van vaste voorwerpen groter dan 12,5 mm”.

Maar let op; meten met lange blanke meetpennen zonder isolerende dopjes, op  een aanrakingsveilige installatie is door de niet afgeschermde meetpen, niet aanrakingsveilig.

Bij een beperkt  korstluitvermogen zal, als er een kortsluiting wordt gemaakt, geen energierijke vlambogen ontstaan. Dit is het geval als op de plaats waar wordt gemeten de installatie is voor-beveilig met smeltveiligheden In ≤ 25A of installatie-automaten In ≤ 16 A. Zijn de nominale stroomwaarden groter, en kan door meten een sluiting worden gemaakt, dan kan er een energierijke vlamboog ontstaan.

Manier waarop wordt gemeten

Bij meten in een installatie die niet aanrakingsveilig is moeten de meetpennen worden afgeschermd. Als  binnen een straal van minimaal 5 cm delen van de installatie (of meetpennen) dan nog niet aanrakingsveilig zijn, dan moeten ten minste beschermende isolerende handschoenen worden gedragen.
Als een installatie een hoog kortsluitvermogen heeft, dan moet een meetinstrument en hulpmiddelen worden gekozen waarmee het niet mogelijk is een kortsluiting  te maken. Het meetinstrument mag dan bijvoorbeeld geen laagohmige meetstand hebben zoals een universeelmeter  met een A-bereik en meetpennen mogen geen kortsluiting kunnen veroorzaken dus waar dat kan zijn afgeschermd met isolerende dopjes.
Door te kiezen voor meetsnoeren met een ingebouwde zekering wordt een extra veiligheid ingebouwd. Deze zijn dus nodig als aan energierijke installaties wordt gemeten.


Afbeelding geen universeelmeter met A-bereik toepassen in een omgeving met hoog kortsluitvermogen   Bron Anton Kerkhofs


Afbeelding  Ingebouwde zekering in meetsnoer en het restant van de krokodillelklem na een kortsluiting ( zie de tekst recent voorval)

Terugkomende op de inleidende tekst “Is meten werken onder spanning” ? NEN 3140 bijlage H.7 geeft het antwoord:  Als niet volgens de hiervoor beschreven methode wordt gemeten, dus bijvoorbeeld; zonder handschoenen of wel onafgeschermde  meetpennen toepassen waar dat niet mag of een meetinstrument dat wel een kortsluiting kan maken, dan wordt meten wel beschouwd als werken onder spanning.

Recent voorval

Een inspecteur maakte gebruik van een krokodillenklem om contact te maken op een aansluiting van een hoofdschakelaar. Op zich een veilige manier om een verbinding  met de installatie te maken omdat deze in tegenstelling tot een meetpen niet kan wegschuiven op een geleider en je niet gefocust hoeft te zijn op deze verbinding. Echter bij het aanbrengen van de krokodillenklem ging het mis. Als de klem ver wordt ingeknepen, dan komen de twee afzonderlijke bekdelen ruim 3 cm van elkaar, lang genoeg om een kortsluiting te veroorzaken tussen twee fase-aansluitingen. Dat gebeurde dus in dit geval. Gelukkig had deze medewerker  bij het meten zijn handschoenen wel aan en was er geen sprake van persoonlijk letsel. Let dus op bij het gebruik van krokodillenklemmen en kies een uitvoering waarbij de blanke bek diep in de kunststof ligt.


Foto: krokodillenklem kan de afstand tussen twee actieve delen overbruggen 
Foto: Anton Kerkhofs


Geleidende delen in de krokodillenklem  
Foto: Anton Kerkhofs

Samenvatting

Gebruik voor het vaststellen van de spanningsloze toestand voorafgaand aan werkzaamheden in een installatie alleen een Duspol volgens NEN-EN-IEC 61243-3. Alleen voor het zoeken van een storing, meten van spanning e.d. bijvoorbeeld een universeelmeter. In een omgeving met een groot kortsluitvermogen mag deze meter geen laagohmige instelmogelijk hebben zoals een A-bereik. De CAT-aanduiding van het meetinstrument moet voldoende hoog zijn en zijn afgestemd op de installatie waarop wordt gemeten. Streef altijd naar het gebruik van meetpennen voorzien van  isolerende dopjes of maak gebruik van meetpennen waarbij de isolatietip instelbaar is.
Draag isolerende handschoenen  daar waar meetpennen of installatiedelen in de omgeving niet aanrakingsveilig zijn!

Trainingstip!

Vragen?

Heb je na het lezen van deze blog nog vragen, of ben je geïnteresseerd in één van onze cursussen? Neem dan contact met ons op via 040-2329700 of info@sbkopleidingen.nl

Deze blog is geschreven door Anton Kerkhofs, trainer/adviseur elektrotechniek.